|
De arrestatie van twaalf Somaliërs aan de vooravond van kerstvieren houdt in de media de gemoederen bezig. Waarom liet de AIVD deze personen arresteren?
Volgens de laatste berichten zouden een aantal van de gearresteerden van plan geweest zijn om in Gilze-Rijen een luchtmachthelikopter neer te halen. Ze waren naar verluidt op een raketwerper uit. De vraagt die bij mij opkomt is: wat is eigenlijk een ambtsbericht van de AIVD?
Inlichtingen
In december dit jaar verscheen een wetenschappelijke bundel getiteld 'Inlichtingen- en veiligheidsdiensten' onder redactie van B. A. de Graaf, E. R. Muller en J. A. van Reijn. Daarin zijn talloze artikelen opgenomen over het reilen en zeilen van het inlichtingenwerk en het wettelijke kader waarin deze activiteiten plaatshebben.
Voor deze bundel heb ik ook een bijdrage geschreven. Daarvoor moest ik onderzoek doen naar de geschiedenis van de geheime dienst en de rechtstheoretische betekenis daarvan in een democratische rechtsorde. Het ging om de scheiding tussen inlichtingenwerk en opsporing.
Het Koninklijk Besluit omtrent de oprichting van de BVD in 1949 was een geheim besluit. Pas in 1972 werd dat besluit openbaar gemaakt. Nadien heeft dit besluit verschillende wijzigingen ondergaan. Maar al in 1972 trok de regering een heldere grens tussen inlichtingenwerk en opsporing.
Opsporing
Art. I,2, lid 2 bepaalde dat de ambtenaren van inlichtingen- en veiligheidsdiensten geen opsporingsbevoegdheden bezitten. Dit neemt niet weg dat wanneer er gegevens beschikbaar waren, die aan andere ministeries moeten worden doorgegeven. Het is de taak van de minister van Binnenlandse Zaken om die informatie aan andere ministeries door te geven. En dat heet een ambtsbericht.
Als het Openbaar Ministerie (OM) zo'n ambtsbericht krijgt over een persoon of instelling waaruit het begrip verdachte naar voren komt, dan is het OM natuurlijk gerechtigd om over te gaan tot een opsporingsonderzoek. Maar het principe was duidelijk: de inlichtingendiensten bemoeien zich niet met de opsporingendiensten. Een vergelijkbare bepaling was ook opgenomen in de wet uit 1988 (art. 20). En in de huidige wet is deze scheiding te vinden in art. 9 van WIV.
Scheiding
Omtrent de scheiding tussen inlichting en opsporing waren enige onduidelijkheden, daarom lichtte de minister van Justitie in 1992 in een brief de Kamer toe hoe de verhouding tussen inlichting en opsporing moet worden begrepen: 'De geschetste scheiding tussen enerzijds inlichtingeninwinning ten behoeve van de staatsveiligheid en anderzijds opsporing en vervolging ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de openbare rechtsorde impliceert niet dat materiaal afkomstig van de BVD onbruikbaar zou zijn voor de strafrechtelijke handhaving. Wel kan de genoemde scheiding aanleiding geven tot een mogelijk verschillende waardering van het materiaal als bewijsmiddel. Een waardering die uiteindelijk door de rechter wordt gegeven.'
Hier gaat het om het bewijsmateriaal. Er worden door inlichtingendiensten middelen en methoden ingezet, die niet altijd binnen het kader van het Wetboek van Strafvordering vallen. Niettemin is het materiaal wettig in het kader van een inlichtingenonderzoek. En dan is nog de vraag hoe het bewijsmateriaal moet worden gewaardeerd.
Ambtsbericht
Een ambtsbericht kan in spoedeisende gevallen zelfs mondeling worden gedaan, waarna het zo spoedig mogelijk op schrift moet worden gesteld. Er wordt ook gesproken van een AIVD-officier van Justitie: een officier van justitie voor terrorismebestrijding uit het landelijk parket is tijdelijk binnen de AIVD werkzaam namens het OM.
Deze AIVD-officier van justitie speelt een cruciale rol bij de totstandkoming van een ambtsbericht. Want een officier van justitie kan een betere inschatting maken van de strafrechtelijke waarde van inlichtingeninformaties dan een AIVD-medewerker. Ter beantwoording van de vraag wanneer een ambtsbericht mag worden uitgebracht, is de juiste timing van eminent belang.
Acuut gevaar
Is er sprake van activiteiten die onder het bereik van het Wetboek van Strafrecht vallen? Is het opportuun om justitie in te schakelen? Is dat niet schadelijk voor het daartoe verzette inlichtingenwerk? Moet een acuut gevaar worden onschadelijk gemaakt? Dit zijn voorbeelden van gecompliceerde vragen die een inlichtingendienst moet beantwoorden voordat men een ambtsbericht aan het OM uitbrengt. Zo komt een ambtsbericht dus tot stand.
Wij leven in het tijdperk van terrorisme. Hoe dan ook moet ervoor worden gezorgd dat moslimsterroristen niet in staat zijn een aanslag te plegen. Soms gaat het om een jihadist die moet worden gebrandmerkt. Daardoor zullen zijn vrienden hem niet gaan vertrouwen.
Onschuldige arrestanten
De AIVD had het OM vier namen gegeven, van mensen die moesten worden gearresteerd. Maar de nationale recherche heeft twaalf personen gearresteerd. Dit is niet onbegrijpelijk. Op het moment van arrestatie had de nationale recherche geen mogelijkheid om de betrokkenheid van anderen uit te sluiten. Daarom werden de onschuldige arrestanten spoedig vrijgelaten.
In Nederland worden in vergelijking met andere landen relatief weinig jihadisten gearresteerd. En wat strafzaken betreft, zijn tussen 2004 en 2008 113 verdachte terroristen aangehouden. Slechts 27 van aangehouden personen werden door een strafrechter veroordeeld.
Vroegtijdig
Is dat schrikbarend? Nee. Ten eerste mag er niet zo maar iemand worden gearresteerd, en ten tweede ging het in de meeste gevallen om het voorkomen van aanslagen. Niet onder alle omstandigheden kan men al te lang wachten en rechercheren. Daarom moet de overheid soms vroegtijdig optreden.
Zo heeft het systeem tot nu toe gefunctioneerd. Natuurlijk moeten we dit soort processen kritisch volgen. Maar we moeten nooit uit het oog verliezen dat het bestrijden van terrorisme in een open samenleving geen gemakkelijke opgave is.
Bron: Afshin Ellian /Elsevier |